Verklarende woordenlijst

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

A

Aa ilicae internae, bepaalde grote slagaders dichtbij de baarmoeder gelegen.

Abruptio placentae, voortijdig loslatende placenta.

Accreta, placenta, vastzittende placenta; vergroeit met baarmoederwand.

Anestesie, verdoving.

Angiografisch, door middel van rontgenonderzoek van de slagaders.

Antepartum, periode voor de bevalling (i.t.t. postpartum).

Anticoagulantia, stoffen die de bloedstolling vertragen of beletten.

Amniotomie, kunstmatig breken van de vliezen om de baring te bespoedigen.

Arterie(n), slagader(s).

Ashermann, syndroom van, verkleving van de baarmoeder als gevolg van littekenweefsel dat zich heeft gevormd (meestal na een curretage).

Atonie, uterus, (uterine atony), verslapping van de baarmoeder.

Anemie (anemia), bloedarmoede.

B

Baarmoeder (uterus), uterus.

B-Lynch, methode om een postpartum bloeding te stoppen door het doorsteken van de baarmoeder en omwinden met een resorbeerbare band.

Blaaskatheterisatie (Foley’s of urinary catheter), legen van de blaas d.m.v. het handmatig aanbrengen van een slangetje inde urethra (urineafvoerbuis).

Bloedstollingsfactoren, verschillende eiwitten in het bloed die mede zorgdragen voor de bloedstolling.

BM, baarmoeder.

BMV, baarmoederverwijdering.

Brand-Andrews methode, controlled cord tractions, trekken aan de navelstreng.

Bronchospasmen, kramp met vernauwing van de luchtpijptakken.

Burnhillscore, wijze van inschatten van de rijpheid van de cervix (met name van belang wanneer de bevalling wordt ingeleid).

C

Caecarea, sectio (c/section of c/sec), keizersnee.

Cervix, baarmoederhals, het onderste deel van de baarmoeder.

Chorioamnionitis, ontsteking van vruchtzakvliezen.

Choriocarcinoom, kwaadaardig gezwel uitaande van in de baarmoederwand achtergebleven placentavlokweefsel.

Coagulopathie (coagulopathy), bloedstollingsstoornis.

Compressie (compression), druk/samendrukken.

Contractie (contraheren) (contraction), samentrekking (samentrekken).

Controlled cord traction, voorzichtig trekken aan de navelstreng om vast te stellen of de placenta al los laat.

Coronaire arterien, kransslagaders.

Curretage, ‘schoonmaken’ van de uterus, door het afschrapen van een laagje baarmoederslijmvlies en eventueel achtergebleven (placenta)resten.

D

Deficientie, gebrek aan.

Diffuse Intravasale Stolling (DIS) ((Disseminated Intravasculair Coagulation (DIC)), een bepaalde bloedstollingsafwijking als gevolg van hypofibrinogenemie (fibrinogeen tekort).

Dinoproston, prostaglandine E2, een weeenopwekkend middel.

E

Embolisatie (embolisation), afsluiten slagader, door een slangetje in te brengen in de slagader, waarna onder rontgendoorlichting de catherter op de juiste plaats wordt geschoven waarna kleine brokjes kunstof of stollingseiwit via de catheter in het bloedvat worden gebracht waardoor de vaattakjes verstoppen en het bloeden stopt.

Endometriose, baarmoederslijmvlies weefsel buiten de baarmoeder, bijv. buikholte.

Endometritis, baarmoederslijmvliesontsteking.

Endometrium, baarmoederslijmvlies; binnenbekleding van de baarmoederwand.

Episiotomie (episiotomy), knip; inknippen van de vulva, vagina en bekkenbodem vlak voor de baring meestal ter voorkoming van een totaal ruptuur.

Ergometrine, weeenstimulerend middel.

Erytrocyten, rode bloedcellen.

Etiologie, leer van de oorzaken.

Extirpatie, uterus (hysterectomy), baarmoederverwijdering, hysterectomie.

Extractie, trekken.

F

Fluxus (haemorrhage), hevige vaginale bloeding.

Foetus/foetaal, het ongeboren kind/betrekking hebbend op het ongeboren kind.

Fornix posterior, gewelf aan achterzijde van de portio.

Fresh frozen plasma (FFP), versgevroren vol bloedplasma, met alle stollinsfactoren.

Fundus, bovenrand van de baarmoeder.

G

H

Haemorrhagie of hemorrhagie (hemorrhage of haemorrhage), hevige bloeding.

Haemorrhagia postpartum, vroege, postpartum bloeding binnen 24 uur na bevalling.

Haemorrhagia postpartum, late, postpartum bloeding in periode tussen 24 uur en 6 weken na bevalling.

Halothaan, bepaalde stof dat gebruikt kan worden bij algehele narcose. Werkt relaxerend op baarmoeder.

Hypertensie, verhoogde bloeddruk.

Hysterectomie (hysterectomy), baarmoederverwijdering, ook wel uterus extirpatie.

Hysterectomie, obstetrische (obstetric hysterectomy), hysterectomie als ingreep tijdens/na baring i.t.t. normale, gynaecologische hysterectomie.

I

Incidentie, frequentie.

Incisie (incision), insnijding, snede.

Increta, placenta, placenta die vergroeid is tot in myometrium (spierlaag vande baarmoederwand).

Insufficientie, onvoldoende; ontoereikend.

Intracervicaal, in de cervix.

Intramusculair, in de spieren (injectie bijvoorbeeld).

Intravaginaal, in de vagina.

Intraveneus, in de aderen (infuus).

Inversio uteri, binnenstebuiten gedraaide baarmoeder.

Involeren, samentrekken, kleiner worden.

J

K

L

Laceratie (laceration), weefselverscheuring.

Laparoscopie, kijkoperatie in buikholte.

Laparotomie, operatief openen buikholte.

Ligament, bindweefselband.

Lochia, afscheiding bij de kraamvrouw gedurende de eerste zes weken na de bevalling. Aanvankelijk grotendeels bestaande uit bloed later voornamelijk wondvocht.

M

Macrosomie, reuzengroei.

MAST-broek, Medical Anti Shock Trousers; opblaasbare anti shock broek.

Maternaal, van de moeder.

Methylergometrine, weeenstimulerend middel.

Morbiditeit, ziektecijfer.

Mortaliteit, sterftecijfer.

MPV, manuele placentaverwijdering.

Multipariteit (Grand), meerdere, meer dan vijf, voorgaande baringen.

Myocardinfarct, hartspierveranderingen ten gevolge van verstopping of vernauwing van kransslagadervertakkingen.

Myomen, goedaardig spierweefsel tumoren in de baarmoederwand.

Myometrium, spierlaag van de baarmoederwand; 2e (middelste) laag van de baarmoederwand.

N

Nageboortetijdperk, periode na geboorte van het kind, voordat de placenta geboren is.

Nalador ®, merknaam van sulproston, een weeenstimulerend middel.

Nullipariteit, (van moeder) nog niet eerder kind gebaard.

O

Obstetrie (obstetrics), verloskunde.

Oestrogeen, bepaald hormoon.

Ontsluitingsfase, periode waarin de baarmoedermond ontsluit tot volledige ontsluiting.

Ostium, opening in de baarmoedermond.

Ovarium, eierstok.

Oxytocine, weeenstimulerend hormoon.

P

Palpatie, onderzoek aan lichaam door druk van hand en vingers.

Pariteit (parity), hoeveel kinderen een vrouw heeft gebaard.

Partus, geboorte kind.

Percreta, placenta, diep in baarmoederwand vergroeide placenta (tot of zelfs voorbij perimetrium).

Perimetrium, buitenbekleding van de baarmoeder.

Placenta, moederkoek.

Polyhydramnion, (te) veel vruchtwater.

Portio, het vaginale deel van de cervix; de baarmoedermond.

Postpartum, periode tot 6 weken na de geboorte.

Postpartum bloeding, vroege, (postpartum hemorrhage, early) hevige bloeding binnen 24 uur na geboorte.

Postpartum bloeding, late, (postpartum hemorrhage, late) hevige bloeding in periode na 24 uur tot 6 weken na geboorte.

PPB, postpartum bloeding.

PPH, postpartum hysterectomie.

Prepidil ®, merknaam van dinoproston oftewel prostaglandine E2.

Previa (of Praevia), placenta, placenta die voor het ostium van de cervix ligt.

Primigravida(e), vrouw in haar eerste zwangerschap.

Prostaglandine, hormoon dat aanmaak van oxytocine stimuleert. Weeenopwekkend.

Prostaglandine-analogen, weeenopwekkende middelen.

Prostaglandine E2, dinoproston, een weeenopwekkend middel.

Progesteron, (zwangerschaps)hormoon.

R

Relaxatie, ontspanning.

Repositie, terugbrengen in oude (juiste) positie.

Resorberen, vocht opnemen.

Ruptuur (rupture), verscheuring van weefsel.

S

Sectio caesarea (c/sec), keizersnee.

Sepsis, bloedvergiftiging.

Serosa, buikvlies.

Solutio, placentae, voortijdig loslatende placenta.

Stadium, 1e (1st stage), ontsluitingsfase.

Stadium, 2e (2nd stage), uitdrijvingsfase.

Stadium, 3e (3rd stage), nageboortetijdperk.

Stollingsfactoren, bestanddelen van het bloed die zorgen voor de stolling.

Subinvolutio, onvoldoende verkleining van de baarmoeder na de bevalling.

Sulproston, weeenstimulerend middel.

Syntocinon ®, oxytocine, een weeenstimulerend middel.

T

Tamponade (uterine packing), methode om uterien bloedverlies te stoppen, door het in de baarmoeder brengen van een tampon/absorberend materiaal.

Trauma, beschadiging door oorzaken van buitenaf.

Trombocyten, (of thrombocyten), bloedplaatjes.

U

Uitdrijvingsfase, de periode van de bevalling dat kind wordt geboren.

Urethra, urine afvoerbuis.

Uterotonica, middelen die weeenopwekken en/of versterken.

Uterus, baarmoeder.

Uterusrelaxantia, middelen om de baarmoeder te ontspannen. Weeenremmers.

Uterotonica, weeenopwekkende en stimulerende middelen.

V

Vruchtwaterembolie, vruchtwater dat in de bloedcirculatie van de moeer terecht is gekomen. Dit kan hevige benauwdheid, shock en bloedstollingsafwijkinen veroorzaken, vaak met dodelijke afloop.

W

Willebrand, von, Ziekte van, bepaalde (aangeboren) bloedstollingsstoornis.

Z

Zangemeister, handgreep van, compressie methode baarmoeder.

ZKH, ziekenhuis

Zoekterm niet gevonden? Zoekterm onjuist? Laat het me even weten!